
Inkomstenbelasting
Forfaitaire rendementen banktegoeden en schulden 2024
De staatssecretaris van Financiën heeft de forfaitaire rendementspercentages in box 3 voor banktegoeden en schulden voor het jaar 2024 vastgesteld. Voor banktegoeden bedraagt het forfaitaire rendement 1,44%. Voor schulden is het forfaitaire rendement vastgesteld op 2,61%. Deze rendementen vervangen met terugwerkende kracht tot 1 januari 2024 de in de wet opgenomen rendementen van 0,92% en 2,46%.
Geen opgewekt vertrouwen door vooraf ingevulde aangifte
Een man geeft in zijn aangifte inkomstenbelasting het inkomen uit twee bv’s op. Aan de man wordt geautomatiseerd en geheel conform de ingediende aangifte een voorlopige aanslag opgelegd. In de definitieve aanslag neemt de inspecteur ook inkomsten uit een derde bv op. De man gaat hiertegen in beroep. Hij stelt dat hij niet begrijpt waar het bij de aanslag terug te betalen bedrag vandaan komt, omdat alle gegevens vooraf in de aangifte waren ingevuld en hij erop vertrouwde dat de vooraf ingevulde aangifte juist was.
De rechtbank oordeelt dat de man zelf verantwoordelijk is voor de juistheid van de gegevens in zijn aangifte. Hij had deze moeten controleren en, indien nodig, aanpassen. Omdat de man loon van de derde bv heeft ontvangen, moet hij zich bij controle van de vooraf ingevulde gegevens op het aangifteformulier er ook bewust van zijn geweest dat deze loongegevens hadden moeten worden opgegeven. Hij mocht er daarom niet zonder meer van uitgaan dat de aanslag conform de vooraf ingevulde aangifte zou worden opgelegd.
Opmerkelijk is dat uit een logbestand van de datum van indiening van de aangifte blijkt dat de loongegevens van de derde bv wel in de vooraf ingevulde aangifte stonden. De man heeft deze gegevens kennelijk zelf verwijderd. De man kan daarom geen geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel doen. Dat betekent dat de inspecteur terecht de aanvullende looninkomsten heeft meegenomen in de aanslag.
Wetsvoorstel tegenbewijsregeling box 3 naar Tweede Kamer
De staatssecretaris van Financiën heeft het voorstel Wet tegenbewijsregeling box 3 ingediend bij de Tweede Kamer. Het wetsvoorstel is een reactie op arresten waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de Wet rechtsherstel box 3 en de Overbruggingswet box 3 de in het Kerstarrest geconstateerde verdragsschending onvoldoende wegnemen. Het discriminatieverbod en het eigendomsgrondrecht worden geschonden als het forfaitaire rendement hoger is dan het werkelijk rendement. Het wetsvoorstel voert een tegenbewijsregeling in box 3 in, waarmee belastingplichtigen aannemelijk kunnen maken dat het werkelijk rendement lager is dan het forfaitair berekende rendement. De Hoge Raad heeft uitgangspunten geformuleerd voor de vaststelling van het werkelijk rendement, die in het wetsvoorstel zijn overgenomen en waar nodig zijn uitgewerkt.
Uitgangspunten
In dit wetsvoorstel is aansluiting gezocht bij de voorgenomen bepalingen uit het nog in te dienen voorstel Wet werkelijk rendement box 3. De tegenbewijsregeling geldt met terugwerkende kracht tot 2017 voor belastingplichtigen van wie de definitieve aanslag op 24 december 2021 nog niet onherroepelijk vaststond en die tijdig bezwaar of een verzoek tot ambtshalve vermindering hebben ingediend. Niet-bezwaarmakers moeten de uitkomst van de procedure massaal bezwaar plus afwachten. Voor de jaren 2021 en later kunnen alle belastingplichtigen met box 3-inkomen gebruikmaken van de tegenbewijsregeling.
Berekening werkelijk rendement
Het werkelijk rendement moet over het gehele box 3-vermogen per jaar worden bepaald, zonder rekening te houden met het heffingvrije vermogen. Het rendement op vrijgesteld vermogen behoort niet tot het werkelijk rendement. Het werkelijk rendement omvat alle positieve en negatieve resultaten uit het box 3-vermogen. Dit betreft het directe rendement, zoals rente, huur en dividend, maar ook (on)gerealiseerde waardeontwikkelingen. Met kosten wordt geen rekening gehouden. De vermogensaanwas wordt bepaald op het verschil tussen de waarde van de bezittingen en schulden aan het eind en aan het begin van het kalenderjaar. Dit verschil wordt verminderd met stortingen en vermeerderd met onttrekkingen. Een waardestijging van een bezitting als gevolg van investeringen behoort niet tot het rendement. Investeringen zijn uitgaven, die betrekking hebben op verbetering en uitbreiding van de zaak. Nieuw vermogen in box 3 wordt aangemerkt als een storting. Als het werkelijk rendement negatief is, wordt het box 3-inkomen op nihil gesteld.
Eigen gebruik onroerende zaak
Het voordeel van eigen gebruik van een onroerende zaak in box 3 wordt voor de jaren tot en met 2025 op nihil gesteld. Met ingang van 2026 wordt het voordeel gesteld op de economische huurwaarde van de onroerende zaak. Dat is de huurprijs die onder normale omstandigheden bedongen kan worden.
Overige aspecten bepaling werkelijk rendement
Met de in de Wet IB 2001 opgenomen schuldendrempel in box 3 wordt geen rekening gehouden bij de bepaling van het werkelijk rendement. Dat betekent dat de rente op het totaal van de schulden in mindering komt op het rendement. De vrijstelling voor groene beleggingen wordt in de verhouding van de geldende vrijstelling en de waarde van de groene beleggingen op 1 januari toegepast op het behaalde rendement op deze beleggingen. Voor de bepaling van het genietingstijdstip van reguliere voordelen geldt het kasstelsel. Dat betekent dat het tijdstip van ontvangst van rente, dividend en huur doorslaggevend is voor de toerekening aan een jaar. Uitgangspunt bij de bepaling van het werkelijk rendement is het zakelijkheidsbeginsel. In gelieerde verhoudingen kunnen transacties voorkomen met onzakelijke elementen als een te hoge of te lage prijs of een te hoge of te lage rente of huur. Deze onzakelijke elementen worden genegeerd bij de bepaling van het werkelijk rendement.
Verlies adviesbureau niet meer verrekenbaar met overig inkomen
De schok kwam hard aan. Een belastingaanslag € 18.000 hoger dan verwacht. Na 15 jaar acceptatie besluit de Belastingdienst plotseling dat het verlies van een adviesbureau niet meer aftrekbaar is van het overige inkomen. Het hof bevestigt: een structureel verliesgevende activiteit is geen bron van inkomen.
Standpunt van de belastingplichtige
De rijksambtenaar met nevenactiviteiten als adviseur voelt zich overvallen. Jarenlang accepteerde de Belastingdienst zijn verliezen en nu, zonder waarschuwing, vervalt deze mogelijkheid. Hij wijst op eerdere omzetten en resultaten. "En na mijn pensioen in 2026 ga ik er écht werk van maken." De Belastingdienst schendt volgens hem het vertrouwensbeginsel. Mag de Belastingdienst zomaar van koers veranderen na 15 jaar dezelfde behandeling?
Standpunt van de inspecteur
De inspecteur is onverbiddelijk. Jaar na jaar stapelen de verliezen zich op. Het verlies van € 13.924 in 2019 is onderdeel van een patroon. De enkele 'positieve' jaren bleken bij nadere inspectie ook verlieslatend. De fiscale bijtelling van een auto maskeerde dit alleen. Met structureel € 20.000 kosten tegenover een minimale omzet is de conclusie onontkoombaar: dit adviesbureau zal nooit winst maken. Zonder objectieve voordeelsverwachting, geen fiscale aftrek.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank constateert dat er sinds 2008 alleen maar verliezen zijn. De toekomstplannen voor 2026 zijn veel te vaag en te ver weg. De rechter wijst ook het vertrouwensargument af: "Elke jaaraangifte staat op zichzelf. Acceptatie in voorgaande jaren biedt geen garantie voor de toekomst". De Belastingdienst mag zijn standpunt herzien als de feiten dit rechtvaardigen.
Oordeel van het hof
Het hof oordeelt dat tegenover de schijnbare winst van € 5.387 in de jaren 2008-2010 (die alleen op papier bestond door de bijtelling privégebruik auto) een negatief resultaat van € 103.496 in de jaren 2011-2019 staat. Zonder de fiscale bijtelling waren alle jaren verliesgevend. Het hof is duidelijk: dit is geen uitstel van winstgevendheid, dit is een activiteit die structureel verlies draait. Gevolg: het verlies van € 13.924 is niet verrekenbaar met het overige inkomen.
Conclusie
Deze uitspraak bevestigt dat de Belastingdienst verliesgevende activiteiten kan herclassificeren, met directe financiële gevolgen. Een hobby-onderneming, startende webshop of adviespraktijk naast een baan? Als de Belastingdienst geen objectieve voordeelsverwachting ziet, vervalt het recht op alle verliesaftrek.
Omzetbelasting
Wijziging teruggaafregeling omzetbelasting voor niet-EU reizigers
Onder voorwaarden kunnen reizigers van buiten de EU de omzetbelasting op goederen, die zij binnen de EU hebben gekocht, terugkrijgen. De douane dient daartoe de factuur te voorzien van een visum om aan te geven dat de goederen de EU in de persoonlijke bagage van de reiziger hebben verlaten. Dat visum kan geautomatiseerd of fysiek in de vorm van een stempel worden afgegeven. Met ingang van 1 januari 2026 vervalt voor goederen, die in Nederland zijn gekocht en van hieruit worden uitgevoerd, de mogelijkheid van fysieke afgifte van het visum. Vanaf dan geldt een verplichte digitale uitvoervalidatie. De staatssecretaris van Financiën heeft de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 in die zin gewijzigd.
VAT in the Digital Age (ViDA) pakket aangenomen
Het pakket btw in het digitale tijdperk (VAT in the Digital Age, ViDA) is aangenomen door het Europees Parlement. De maatregelen zullen geleidelijk worden uitgerold tot januari 2035. Na de inwerkingtreding krijgen de lidstaten van de EU, onder specifieke voorwaarden, de mogelijkheid om verplichte e-facturering in te voeren. Ook zal het eenloketsysteem voor invoer (IOSS) worden verbeterd met het oog op betere controles.
Met ingang van 1 januari 2027 zullen kleine verduidelijkingen van de wetgeving volgen voor gebruikers van de éénloketsystemen (OSS en IOSS). Vanaf 1 juli 2028 moeten platforms voor kortetermijnverhuur van accommodatie en personenvervoer voldoen aan de nieuwe maatregelen voor gelijkgestelde leveranciers. Op dat moment gaan ook de hervormingen van de één-btw-registratie in de EU (single VAT registration) en de verplichte verleggingsregeling voor niet-geïdentificeerde leveranciers van start.
De digitale rapportagevereisten zullen vanaf 1 juli 2030 van invloed zijn op grensoverschrijdende B2B-transacties. Uiterlijk op 1 januari 2035 moeten de lidstaten die op 1 januari 2024 al een binnenlandse verplichting tot rapportage van digitale realtimetransacties hebben, hun systemen afstemmen op de EU-normen. Hiermee wordt de laatste fase van het ViDA-pakket ingeluid.
Arbeidsrecht
Ondanks ontslag op staande voet toch toekenning beperkte transitievergoeding
De werkgever moet een transitievergoeding betalen aan de werknemer wiens arbeidsovereenkomst door de werkgever is opgezegd, op zijn verzoek is ontbonden of op zijn initiatief niet is voortgezet. De werkgever is de transitievergoeding niet verschuldigd indien het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar gedrag van de werknemer. Wel kan de kantonrechter in een dergelijk geval de transitievergoeding geheel of gedeeltelijk toekennen als hij van oordeel is dat het niet toekennen ervan onredelijk of onbillijk is. Deze mogelijkheid staat bekend als "luizengaatje".
De kantonrechter heeft de verzoeken van een werknemer tot vernietiging van het gegeven ontslag op staande voet, toelating tot het werk en tot toekenning van een transitievergoeding afgewezen. De werknemer heeft hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van het verzoek tot toekenning van een transitievergoeding.
Hof Den Haag heeft de werknemer een beperkte transitievergoeding toegekend ter grootte van een kwart van de wettelijke transitievergoeding. Aanleiding daarvoor zag het hof in het zeer lange dienstverband, het functioneren gedurende het merendeel daarvan en de leeftijd van de werknemer. De vooruitzichten van de werknemer op de arbeidsmarkt zijn slecht als gevolg van een eenzijdig arbeidsverleden en zijn geestelijke situatie. De gedragingen van de werknemer, die tot zijn ontslag hebben geleid en de daardoor door de werkgever geleden schade, verhinderden de toekenning van een hoger bedrag aan transitievergoeding.
Het hof heeft het verzoek van de werkgever om de transitievergoeding te mogen verrekenen met de geleden schade en de rente daarover afgewezen.
Sociale verzekeringen
Geen verzekeringsplicht AOW tijdens wereldreis per schip
Wie in Nederland woont of werkt is verzekerd voor de AOW. Waar iemand woont, wordt per geval beoordeeld aan de hand van de individuele omstandigheden van de betrokkene. Iemand wordt geacht in Nederland te wonen als hij een duurzame band van persoonlijke aard heeft met Nederland. De Sociale Verzekeringsbank heeft beleidsregels opgesteld waaruit volgt dat aan het duurzaam kunnen beschikken over een woning veel belang toekomt.
De vraag in een procedure over de AOW is of de Sociale Verzekeringsbank terecht een korting wegens niet verzekerde jaren heeft toegepast voor iemand die al jaren op een zeilboot op wereldreis is. De discussie spitst zich toe op de woonplaats van de betrokkene. Naar zijn mening is de thuishaven van zijn schip in Nederland gelegen. Een schip, dat in Nederland zijn thuishaven heeft, wordt voor de bemanning als deel van Nederland beschouwd.
De rechtbank Amsterdam legt het begrip ‘thuishaven’ uit als de haven waar een schip feitelijk thuishoort. Het land, waar het schip de nauwste band mee heeft, geldt als ‘thuishaven’. Volgens de rechtbank zijn de formele thuishaven en de vlag, waaronder het schip vaart, niet doorslaggevend voor de bepaling van de thuishaven. Na het vertrek vanuit Nederland in 2006 is het schip van de betrokkene niet meer teruggekeerd in de haven van vertrek. Die haven is daarmee niet de thuishaven van het schip.
Vanwege het feitelijke verblijf op het schip en het incidentele verblijf in Nederland, zonder vaste verblijfplaats, is de rechtbank van oordeel dat er geen persoonlijke band van duurzame aard bestaat met Nederland. De Sociale Verzekeringsbank heeft terecht beslist dat de betrokkene sinds zijn vertrek niet verzekerd was voor de AOW. Enig bewijs voor een vrijwillige voortzetting van de verzekering heeft de betrokkene niet aangedragen. Uit de door hem overgelegde belastingaanslagen heeft de rechtbank niet kunnen afleiden dat de betrokkene vrijwillig verzekerd is geweest.
Formeel recht
Besluit correctiebeleid belastingaanslagen verduidelijkt
De staatssecretaris van Financiën heeft het Besluit correctiebeleid belastingaanslagen verduidelijkt naar aanleiding van arresten van de Hoge Raad uit 2020 en 2021. Volgens deze arresten geldt bij het correctiebeleid een dubbele grens, in die zin dat zowel aan de drempel van de premie- of belastingcorrectie als aan de drempel voor de inkomens- of winstcorrectie moet zijn voldaan. Deze dubbele grens is niet opgenomen in het besluit.
Het correctiebeleid is van toepassing bij het vaststellen van aanslagen, navorderingsaanslagen en naheffingsaanslagen in rijksbelastingen. Het beleid geldt niet als geen aangifte is gedaan of als belasting niet, niet tijdig of niet volledig op aangifte is betaald.
De correctiegrenzen zijn als volgt:
- bij het vaststellen van een (naheffings)aanslag dienen de verschuldigde belasting, premies of inkomensafhankelijke bijdrage Zvw tezamen als gevolg van de correctie € 225 of meer te bedragen;
- voor het vaststellen van een navorderingsaanslag geldt een drempel aan verschuldigde belasting, premies of inkomensafhankelijke bijdrage Zvw als gevolg van de correctie van € 450;
- bij het vaststellen van een aanslag IB of Vpb of een verliesbeschikking geldt als voorwaarde voor het aanbrengen van een correctie een verhoging van het verzamelinkomen of de belastbare winst van ten minste € 500;
- voor het opleggen van een navorderingsaanslag IB of Vpb of een herziening van een verliesbeschikking moet het verzamelinkomen of de belastbare winst door de correctie ten minste € 1.000 hoger worden.
Het besluit bevat een aantal uitzonderingen op de correctiegrenzen. Zo kan een correctie, die in meerdere belastingjaren voorkomt, in alle jaren worden aangebracht, ook in jaren waarin de correctiegrenzen niet worden overschreden. In het geval van navordering gelden de correctiegrenzen niet als sprake is van repeterende onjuistheden of van kwade trouw.
De correctiegrenzen gelden evenmin als de correctie leidt tot een terug te ontvangen bedrag of bij correctie op verzoek van de belastingplichtige.
Het besluit is op 12 maart 2025 in werking getreden.
Verzoek correctie geldt voor alle aanslagen
In een recente uitspraak trekt de hoogste rechter een streep door het formalisme van de Belastingdienst. Na jarenlang procedureel getouwtrek krijgt een belastingplichtige alsnog de kans om een aanslag van bijna een half miljoen euro inhoudelijk te betwisten.
De zaak in het kort
Een belastingplichtige krijgt te maken met een drastische correctie: zijn aangegeven inkomen van € 20.487 wordt door de Belastingdienst verhoogd naar € 495.355. Daarbovenop volgt een vergrijpboete van € 120.972 en € 15.833 aan belastingrente. Het procedurele web wordt nog ingewikkelder doordat de Belastingdienst later een navorderingsaanslag oplegde, waarbij eerder verrekende verliezen werden teruggenomen. In brieven over deze navorderingsaanslag maakt de belastingplichtige ook bezwaar tegen de oorspronkelijke correctie en boete.
De procedure in het kort
De kernvraag in deze zaak is of inhoudelijke bezwaren tegen een aanslag mogen worden behandeld als ze worden aangevoerd in een procedure over een andere aanslag?
De Belastingdienst, rechtbank én het hof oordelen van niet:
- het bezwaar tegen de navorderingsaanslag is te laat ingediend;
- de brieven worden alleen gezien als bezwaar tegen de navorderingsaanslag, niet tegen de oorspronkelijke aanslag;
- bezwaren tegen de hoogte van het inkomen en de boete kunnen niet in deze procedure worden behandeld.
Het oordeel van de Hoge Raad
De Hoge Raad oordeelt dat de brieven van de belastingplichtige geen andere conclusie toelaten dan dat hij bezwaar had tegen de oorspronkelijke aanslag. De Belastingdienst had deze brieven daarom ook moeten behandelen als een verzoek om ambtshalve vermindering van de oorspronkelijke aanslag en beschikkingen.
Cruciaal in deze uitspraak:
- de Belastingdienst moet naar de inhoud van brieven kijken, niet alleen naar de vorm;
- bij een verzoek om ambtshalve vermindering moet binnen acht weken worden beslist;
- na het verstrijken van die termijn kan beroep worden ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing.
Irritatie over navordering onder de irritatiegrens
Een belastingplichtige, die zelf om een correctie vraagt, kan later geen beroep doen op het correctiebeleid van de Belastingdienst. Ook als het bedrag van de navordering onder de zogenaamde irritatiegrens blijft, mag de Belastingdienst dit navorderen. Een recente uitspraak van de rechter bevestigt dit.
Irritatiegrens bij navordering
Een belastingplichtige dient eerst zijn reguliere aangifte inkomstenbelasting 2021 in, waarin hij een belastbaar inkomen van € 25.076 opgeeft. Enkele maanden na de definitieve aanslag dient hij een herziene aangifte in. Hierin voegt hij onder andere resultaat uit overige werkzaamheden toe. Zijn belastbaar inkomen stijgt hierdoor naar € 26.648.
De Belastingdienst legt conform deze herziene aangifte een navorderingsaanslag op. In bezwaar wordt deze navorderingsaanslag verlaagd tot een belastbaar inkomen van € 25.531, wat resulteert in een teruggave van € 458.
De belastingplichtige stelt dat de navorderingsaanslag vernietigd moet worden op basis van het correctiebeleid van de Belastingdienst. Volgens dit beleid worden navorderingsaanslagen met een correctie onder de € 450 niet opgelegd, omdat dit onder de zogenaamde irritatiegrens valt.
Irritatiegrens niet bij verzoek
De rechtbank oordeelt dat de belastingplichtige geen beroep kan doen op dit correctiebeleid. De reden hiervoor is dat hij zélf om de navordering heeft verzocht door het indienen van de herziene aangifte. In de woorden van de rechtbank: "In een dergelijk geval zal geen sprake zijn van enige overschrijding van de irritatiegrens als vermeld in het beleid. Het is immers de belastingplichtige zelf die de aanzet heeft gegeven die tot navordering leidt."
De belastingplichtige in deze zaak stelt ook nog dat hij de herziene aangifte "niet had willen doen", maar dat verweer helpt hem niet. De rechtbank oordeelt dat hij de benodigde handelingen voor het indienen heeft verricht en daarmee het gevolg moet accepteren.
Reactie plaatsen
Reacties